De eindbestemming

…Er staan meer mensen in de rij. We kennen elkaar niet, maar we willen allemaal naar de overkant. Ik was hier al vroeg, dus ik ben straks als eerste aan de beurt. Met een klein roeibootje zullen we één voor één naar de overkant gebracht worden.

4.67/5 (3)

Ik zit op mijn koffer aan de kade van de rivier. Het is al donker en ik kan de andere reizigers moeilijk onderscheiden. Achter me staat een meisje met een blonde paardenstaart. Een grote man staat naast haar, een sporttas en een six-pack bier staan voor zijn voeten.
Er staan meer mensen in de rij. We kennen elkaar niet, maar we willen allemaal naar de overkant. Ik was hier al vroeg, dus ik ben straks als eerste aan de beurt. Met een klein roeibootje zullen we één voor één naar de overkant gebracht worden.

Er steekt een briesje op en het water klotst tegen de kant. Ik concentreer me op de inhoud van mijn koffer. Heb ik alles bij me? Ben ik niets belangrijks vergeten? Ik voel aan de trouwring van mijn ouders aan mijn linkerhand.

Het meisje met de paardenstaart komt naast me staan.
“Waar blijft de boot?” vraagt ze alsof ik haar moeder ben. “Wij hebben vaak de boot gemist, en waarom draag je een hoofddoek?” ze huppelt van het ene onderwerp naar het andere.
“Emm.., ik ben ziek geweest en daarom viel mijn haar uit.” Ik glimlach erbij zodat ze niet schrikt, maar ze knikt begrijpend.

“Toen ik zes was heb ik mijn nek gebroken toen mijn vader een botsing maakte.” en ze legt haar hand tegen haar hals.
Mijn beurt om te schrikken. Ik kijk in haar grote blauwe ogen. Hoe oud zou ze nu zijn, acht misschien? De man die naast haar staat is vast haar vader. Hij lijkt een beetje op mijn ex-man, het meisje zou mijn dochter kunnen zijn. De man kijkt stuurs voor zich uit, duidelijk geen behoefte aan een praatje. En dat geeft niet, ik heb genoeg aan mijn overpeinzingen.

Ik denk aan mijn ouders, mijn dochtertje en de kat. In gedachten neem ik weer afscheid. Is deze vakantie in mijn eentje wel zo’n goed idee? Altijd maar die twijfels en onzekerheid. Mijn ziekte heeft daarvan geen verlossing gebracht. Ik houd me vast aan het beeld van mijn eindbestemming, het eiland dat ik Paradijs noem.

Het geklots van het water krijgt een ander ritme, het roept dat de boot in aantocht is. Als ik mijn koffer aan de veerman overhandig, voel ik me gelijk al lichter. Ik gooi mijn twijfels overboord, want ik kan toch niet meer terug. Ik ontmoet indringende ogen in een gerimpeld gezicht, de veerman is niet meer de jongste. Hij kijkt me vastbesloten aan, net of hij zegt: Goed zo, niet twijfelen! Het is de hoogste tijd om te gaan.

Het houten bankje waar ik op plaats neem voelt koud en vochtig aan. De oude man straalt autoriteit uit gelijk een kapitein van een cruiseschip. Hij zet mijn koffer op een scheepskist en klikt het open.

“Bent u zich bewust van de bagage die u meeneemt?” vraag hij. “Onnodige zaken zult u achter moeten laten.”

Hij rommelt tussen mijn spullen en vraagt naar kostbaarheden. Ik schuif de trouwring van mijn vinger en leg deze in zijn eeltige hand. Het is raar, maar het voelt vanzelfsprekend om alles aan hem te overhandigen. Ik ben dankbaar dat ik licht genoeg bevonden ben om naar de overkant gebracht te worden.

Daar gaan we, en ik zwaai nog even naar het meisje met de paardenstaart.

“Tot straks, jij bent de volgende!” roep ik opgewekt.

Het gelijkmatige geluid van de peddels en het wiegen van het bootje maken me slaperig. Ik doe mijn ogen dicht en herinneringen schieten als dia’s voorbij. Gebeurtenissen van heel vroeger versmelten met de omstandigheden van afgelopen jaren. Alsof tijd daar geen ordening meer in aan kan brengen.

Mijn vader die me straf geeft als ik mijn bord niet leeg eet, voert me naar mijn ex-man die mijn dochter en de kat komt halen. Omdat ik langdurig moest worden opgenomen, kon ik niet meer voor ze zorgen. Mijn oh-zo-belangrijke echtgenoot, politicus overdag en alcoholist in de avonduren. Maar waar moest Sophie anders heen? Mijn ouders waren kort na elkaar overleden. Mijn spieren verkrampen, daar is dat gevoel van verlies en machteloosheid weer.

Dan plots zit ik achterop de fiets bij mijn moeder, op weg naar de vreselijke pianoles. Iedere woensdagmiddag heb ik buikpijn, want ik krijg een klets op mijn vingers als ik een fout maak. De muziekschool vervaagt in het kuuroord waar ik met alternatieve geneeswijzen de oplossing gevonden dacht te hebben. Het kostte een vermogen, het resultaat bleef uit.

Een beeld van mijn advocatenkantoor dringt zich aan me op. Collega’s tikken ijverig op laptops aan de lange vergadertafel. In die tijd kreeg ik een relatie met één van de partners. Een zelfingenomen type, maar hij dronk tenminste niet. Een jaar lang werkten we aan een lastige zaak. Ik zit met hem over het dossier gebogen als zijn gezicht plotseling verandert in dat van de arts die het vonnis uitsprak.

“De laatste bestralingskuur heeft niet het resultaat gehad, waar we op hadden gehoopt.”
De beste man keek verslagen, maar ik was opgelucht. Eindelijk zomervakantie na een jaar van zweet, tranen en zware tentamens, dát gevoel. Ik vond dat ik een reisje verdiend had. Zonder wonder van boven zou het mijn laatste vakantie zijn, waarom niet een paradijselijk voorproefje? Ik zag het al voor me; een eiland met palmbomen, zon en zee. Mijn kale hoofd zou ik bedekken met kleurige sjaaltjes, en dat besluit vierde ik met een fles champagne.

De bootsman haalt me weer naar het heden. “Gebeurtenissen die op het oog niets met elkaar te maken hebben, zijn vaak onlosmakelijk met elkaar verbonden. Tijdens de reis naar de overkant kunt u inzichten krijgen die u niet eerder had.”
Hij maakt een beweging met zijn schouder, ik moet naar het water kijken.
“Het onderbewustzijn is als een oceaan, je moet de onderstromen kennen en toch koers houden.” Ik schrik even van die vreemde preek.

Maar zie ik het goed, drijft daar een koffer? Volgens mij zie ik ook een klein kluisje dobberen. “Mensen nemen de meest onzinnige dingen mee naar de overkant. Daar moet ik streng op zijn.” bromt de veerman.
Ik krijg de kriebels als ik denk een dode vrouw in het water te zien. Ik kijk de oude man vragend aan, maar hij zegt alleen: “Straks varen we door een mist van herinneringen. Probeert u het verband te ontdekken en laat het vervolgens los. Pas daarna kunnen we op het eiland aanleggen.”

Nu ben ik echt in de war. Wat bedoelt hij toch?

De mist steekt op en ik trek de strik van mijn hoofddoek wat strakker aan. De dunne stof kan niet voorkomen dat ijzige nevel zich in mijn hoofd nestelt. Het is een onaangenaam gevoel en ik kan me niet goed oriënteren. Ik wil even aan de ring van mijn ouders voelen, maar die zit niet meer om mijn vinger. Nu heb ik geen houvast meer.

Het gezicht van mijn man doemt weer op. Of is het de pianoleraar.., of mijn vader? Kijk dat geïrriteerde trekje om de mond als ik iets niet goed doe. En ik heb altijd maar buikpijn. Ik ruik Marcus’ dronken adem, “dacht je dat ik het niet doorhad?” schreeuwt hij. “Pak je spullen en ga naar je vriendje!”

Zijn we nog niet door mist? Ik wil deze herinneringen niet! Maar de film speelt door. “Darmkanker met uitzaaiingen in lever en bloed.” zegt de dokter. Hij bedoelt: onderdrukte angstcomplexen zijn gemanifesteerd in kankercellen, ontembaar stromen ze nu door je aderen. Ik weet het.
Dan sta ik weer in mijn eigen huiskamer. Ik kan niet anders dan toekijken hoe Marcus onze dochter uit bed tilt en op de achterbank van de Jeep legt. Ze slaapt nog. ‘Time-out’ noemt hij het, hij neemt haar mee naar zijn ouders in Spanje.

Nu komt het deel waar ik altijd mijn handen voor mijn ogen doe.

Ik sta in de keuken om een spinazie smoothie te maken (om mijn lever te reinigen), als de deurbel gaat. De scene draait zich tergend langzaam af in mijn hoofd. In slow motion loop ik naar de gang en doe de deur open voor de politieagent. Hij klinkt als een telegram: ‘frontale botsing’, ‘hoog alcoholpromillage’, ‘overleden in de ambulance’.
Ik zie Sophie weer springen op de trampoline die ze voor haar verjaardag kreeg. De blonde paardenstaart wervelt wild op het ritme van haar bewegingen.

Paardenstaart. Paardenstaart…

Ik huil een oceaan en doe mijn ogen weer open.
“Net op tijd,” zegt de veerman. “De mist is opgetrokken en we zijn weer op koers.”

Ik zie het eiland al, wuivende palmbomen zwaaien me welkom. Daar staan mijn ouders. Roei toch wat harder! denk ik. En ik moet lachen en huilen tegelijk, ik heb het gehaald! Ik heb het begrepen en het aanvaard. Straks zijn we allemaal weer samen en zullen we eindeloos vakantie vieren. De veerman helpt me uit de boot, ik doe mijn schoenen uit en stap in het warme witte zand.

Mijn lieve, mooie Sophie is de volgende, en ik zeg tegen de veerman dat hij goed op haar moet letten tijdens de overtocht.

Wat vond je ervan?